Een hand of geen hand, that’s the question. Een aantal van de door gemeente Amsterdam ingehuurde straatcoaches weigert om - vanwege hun geloof - vrouwen een hand te geven. Dat is om verschillende redenen niet acceptabel.
De straatcoaches worden door gemeente Amsterdam ingezet om probleemjongeren in Slotervaart te begeleiden. Vanuit die rol hebben ze een voorbeeldfunctie en is het van belang dat ze zich gedragen in overeenstemming met Nederlandse normen. Het is moeilijk voor te stellen dat een coach die weigert om vrouwen de hand te schudden er op een effectieve wijze voor kan zorgen dat probleemjongeren aansluiting vinden met de Nederlandse samenleving. Jammer voor de jongeren en zonde van het geld.
Maar er zijn bezwaren van principiëlere aard. De overheid zou de kernwaarden van de Nederlandse samenleving moeten uitdragen. Juist in debatten over integratie wordt dikwijls schouderophalend geroepen dat we in Nederland niet eens kunnen aangeven wat Nederlands burgerschap inhoudt. Welnu, hier ligt een belangrijk deel van het antwoord. Gelijkheid van man en vrouw is in Nederland zonder twijfel een kernwaarde die niet lichtvaardig opzij mag worden gezet. Zelfs al zou het schudden van handen geen ijzeren wet maar slechts een fatsoensnorm zijn - zoals burgemeester Cohen stelt - dan nog is juist dit een algemene fatsoensnorm die gemeente Amsterdam zou moeten verdedigen. Cohen’s lankmoedige opstelling draagt zo bezien bij aan de onduidelijkheid in het integratiedebat.
Afgelopen week gaf Cohen over de affaire met de straatcoach een opvallend interview af bij Pauw en Witteman. Hij verzekerde de kijkers dat de straatcoach louter uit respect had gehandeld met zijn weigering om de vrouwelijke hand te schudden. Maar ja, hoe weet burgermeester Cohen dat zo zeker? Het past een burgermeester niet om uit de losse pols te speculeren over de gedachten en motieven van de straatcoach. Bovendien is - hoewel ik liever verre blijf van een religieuze tekstexegese - het woord respect in de Koran niet te vinden wanneer het gaat om de fysieke omgangsvormen tussen man en vrouw.
Cohen ging in zijn verdediging van de straatcoach nog verder. Hij stelde dat het gelijkheidsbeginsel ook gelijkheid van geloof betekent: om die reden zou de religieuze overtuiging van de straatcoach zijn handelen rechtvaardigen. Dat is een idioot idee. Sinds lange tijd is men het er al over eens dat gelovigen en ongelovigen het nooit eens zullen worden over de inhoud en betekenis van religie. Over geloof valt immers niet op rationele gronden te twisten: je gelooft of je gelooft niet. De overheid kiest in die discussie ten nadele van vrouwen partij wanneer zij, zoals in het geval van de straatcoach, gedragingen in de publieke ruimte legitimeert door te verwijzen naar de religieuze “respectvolle” betekenis. Op deze manier wordt het grondrecht van gelijke behandeling van vrouwen ernstig uitgehold.
Er is nog een reden die maakt dat de overheid in dit geval gelijkheid van man en vrouw voorop moet stellen. Religie is een privéaangelegenheid die geen invloed mag hebben op het functioneren van ambtenaren. Voor overheidsdienaren die zich – bijvoorbeeld vanwege hun religie - bij de vervulling van hun functie niet conformeren aan het recht van gelijke behandeling is geen plaats. Dat geldt zeker voor de trouwambtenaar die weigert om homo’s in de echt te verbinden, maar ook voor andere overheidsdienaren die direct of indirect namens de overheid een functie vervullen. Het is zeer onwenselijk dat overheidsdienaren hun publieke rol zouden gebruiken om met hun eigen overtuigingen de overheidsmoraal in te kleuren. Dat zou het begin van willekeur zijn.
Moet de straatcoach dan te allen tijde gedwongen worden om vrouwen de hand te schudden? Nee, in beginsel staat zijn overtuiging hem vrij. Aan de andere kant dient hij de (maatschappelijke) consequenties van zijn overtuigingen zelf te dragen. Zijn publiek gefinancierde functie als straatcoach kan hij – zoals hierboven betoogd – niet voortzetten. Aangezien zijn kansen op de Nederlandse arbeidsmarkt aanzienlijk slinken door de weigering om vrouwen de hand te schudden, zou de straatcoach niet in aanmerking moeten komen voor een (bijstands)uitkering. Daar tegenover staat zijn recht op vrije geloofsbelijdenis. Zolang hij er in slaagt om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien, zonder een beroep te doen op publieke middelen en binnen de grenzen van de wet, zie ik geen enkele reden waarom hij zijn levensstijl zou moeten wijzigen. In de privésfeer heeft iedereen recht op zijn eigen voorkeuren.
Frans Beishuizen is Duo Raadslid voor de VVD Amsterdam
Dit artikel is 21 februari 2008 in Het Parool gepubliceerd.